ortho asz

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Info voor patiënten Heup Complicaties na heupprothese

Complicaties na heupprothese

E-mailadres Afdrukken PDF

Informatie in verband met mogelijke verwikkelingen tijdens en na het plaatsen van een THP

Bij ieder operatie kunnen complicaties optreden, dus ook bij een heupprothese. Het risico op complicaties is gelukkig vrij laag bij deze ingreep. Ook is het zo dat het risico op complicaties duidelijk lager is bij een ervaren chirurg (meer dan 50 per jaar) en indien er in het ziekenhuis zelf een groot aantal prothesen geplaatst wordt (meer dan 200 per jaar). In onze dienst worden de heup prothesen geplaatse door Dr. M. Raaijmaakers en Dr. J. Van Overschelde. Beiden zijn gespecialiseerd in chirurgie van de heup en jaarlijks worden er ongeveer 400 heup prothesen geplaats in onze dienst. Dit ligt dan ook ruim boven de eerder genoemde aantallen. 

1. LEVENSDUUR VAN EEN TOTALE HEUPPROTHESE

Er bestaat tot op heden geen enkele prothese die levenslang meegaat. Elk kunstgewricht is onderhevig aan slijtage of kan op termijn loskomen. De overlevingsduur van de meeste totale heupprothesen is +/-95 % na 10 jaar. Dit wordt 85 % na 15 jaar en 80 % na 20 jaar. Dit betekent dat U 5 kansen op 100 hebt dat uw heupprothese binnen de 10 jaar dient vervangen te worden.

Indien uw prothese werd geplaatst omwille van reumatoïde arthritis, aseptische necrose, na een orgaantransplantatie of indien u cortisone neemt, dan is het risico op loskomen hoger.

De levensduur van een prothese wordt mede bepaald door de belasting die uitgeoefend wordt. Dit hangt dus af van de (sportieve) activiteiten die u uitvoerd. Bij een zware belasting kan de prothese sneller verslijten. Dit is eveneens het geval indien u zwaarlijvig bent of zwaar werk beoefent.

2. ZWAARLIJVIGHEID

De risico's tijdens en na de ingreep nemen toe indien U zwaarlijvig bent. Er is meer kans op verhoogd bloedverlies, vertraagde wondheling, vertraagd herstel, verlengde immobilisatie, verhoogd risico op infectie, verhoogd risico op thromboflebitis, verhoogd risico op longembolie en verhoogd risico op ontwrichting van de prothese.

3. INFECTIE

De kans dat er een infectie ontstaat tijdens of in de onmiddellijke periode na de ingreep bedraagt ongeveer 0,05 %. Dit wil zeggen dat het risico om een infectie ongeveer 5 kansen op 10 000 of 1 kans op 2000 bedraagt. Indien er reeds vroeger een ingreep aan het heupgewricht is gebeurd is het risico licht verhoogd. Indien er vroeger reeds infectie is geweest, of het betreft een revisieingreep dan is het risico zelfs verdubbeld. Bij zwaarlijvigheid en suikerziekte loopt U een hoger risico op infectie. Bij bepaalde huidaandoeningen, zoals eczema of psoriasis is het risico eveneens verhoogd, zeker als de letsels voorkomen op de plaats of in de buurt van de huidinsnede.

Om het risico op infectie tot een minimum te beperken wordt preventief gedurende 24 uur antibiotica toegediend.

Een heupprothese kan ook later (zelfs jaren na de ingreep !!!) infecteren door verspreiding van bacteriën vanuit een andere plaats in het lichaam. (bv. een tandabces, een geinfecteerde teennagel, prostaat of blaasproblemen,bacteriële sinusitis,...) U dient dan ook absoluut antibiotica te nemen ter voorkoming van dit risico bij elke ingreep of behandeling die verspreiding van bactieren via de bloedbaan zou kunnen veroorzaken. 

Indien een prothese besmet raakt bestaat het risico dat deze verwijderd dient te worden. Wanneer de infectie onder controle is kan overwogen worden om een nieuwe prothese te plaatsen.

4. HETEROTOPE OSSIFICATIE

Heterotope ossificatie wil zeggen dat er bot gevormd wordt in weefsels waar er normaal geen bot voorkomt. Na een totale heupprothese kan dit rond het gewricht voorkomen bij ongeveer 50 % van de patienten. Meestal is dit miniem, maar eerder uitzonderlijk kan er uitgebreid bot gevormd worden, zodat er pijn en bewegingsbeperking optreden. De juiste oorzaak van deze heterotope ossificatie is nog niet volledig uitgeklaard.

Bepaalde vormen van arthrose, en sommige inflammatoire aandoeningen (Bechterew) hebben een verhoogd risico op deze botvorming. Mannen lopen een hoger risico dan vrouwen. Indien U reeds bij een vorige heupprothese hetertoop bot hebt gevormd is er eveneens meer kans dat dit opnieuw gebeurt.

Indien we een verhoogd risico vermoeden of kennen kan U preventief medicatie (ontstekingsremmers, NSAID) nemen of eenmalig een dosis radiotherapie. Soms kan de medicatie niet toegediend worden indien U reeds maagdarmklachten had. Indien maagbeschermende middelen niet baten, dan wordt de ontstekingswerende medicatie niet toegediend.

5. ONTWRICHTEN VAN DE HEUPPROTHESE (LUXATIE, DISLOCATIE)

Een ontwrichting betekent dat de kop van de prothese uit de kom raakt. Ontwrichting is de meest voorkomende verwikkeling na een totale heupprothese. Volgens de medische literatuur treedt deze verwikkeling op bij 3 tot 5 % van de patienten. Het risico is het hoogst in de eerste drie maanden na de ingreep. Dit wordt verklaard omdat de kop van de prothese heel wat kleiner is in doormeter dan de natuurlijke heupkom. Hierdoor ontstaat er tijdelijk een holte die geleidelijk zal dichtgroeien. Ook de weefsels en de spieren dienen zich te herstellen na de ingreep. Het risico op ontwrichting stijgt naargelang men ouder wordt door een verlies aan spierkracht. Hogere risico's zijn er ook bij reumapatienten, zwaarlijvigheid en bij herhaalde ingrepen aan dezelfde heup. Ook de chirurgische toegangsweg kan een bepaald risico met zich meebrengen. Daarom wordt aan de patient een bepaalde 'houdingshygiëne' aangeleerd, bij het zitten,bij het in bed gaan liggen,...

 

Op onze dienst maken wij gebruik van een minimaal invasieve anterieure toegang. Hierbij worden geen spieren beschadigd en hierdoor is het ontwrichtingsrisico beduidend lager.

Een ontwrichting is pijnlijk en dient terug gereduceerd te worden. Meestal is hiervoor een algemene narcose nodig. Indien een prothese herhaaldelijk ontwricht is het eventueel nodig een speciaal korset te dragen om dit te voorkomen. Uitzonderlijk dient een nieuwe ingreep te worden uitgevoerd om verdere ontwrichtingen te voorkomen.

6. LETSELS AAN ZENUWEN EN BLOEDVATEN

Letsels aan de bloedvaten rond het heupgewricht zijn zeldzaam. Over de incidentie zijn geen cijfers bekend. Letsels aan de zenuwen rond het heupgewricht zijn minder zeldzaam. Zo komen letsels aan de Ischiadicus zenuw (gelegen achter het heupgewricht) voor in 0.5 % tot 2 % van de patienten. Het gevolg is een dropvoet ("lamme" voet), d.w.z. dat men de voet niet meer kan optrekken. Dit veroorzaakt gangproblemen naast gevoelsstoornissen en pijn. Letsels aan de femoraliszenuw (voor de heup gelegen) komen voor bij 2.3 % van de patienten. Dit veroorzaakt een verzwakking van de bovenbeenstrekspier (quadriceps).

De meeste zenuwletsels herstellen, maar restletsels zijn mogelijk.

Indien het lidmaat meer dan 2 cm moet worden verlengd neemt het risico op een letsel van de ischiadicuszenuw zeker toe. Uw dokter zal U dan ook uitleggen dat het niet mogelijk is het been 'onbeperkt' te verlengen.

Het is belangrijk dat U weet dat sommige patienten de eerste dagen na de operatie (soms zelfs enkele weken) er niet in slagen het been gestrekt te heffen. Dit betekent niet dat er een zenuwletsel aan de femoraliszenuw is. Het is een normaal verschijnsel en verdwijnt spontaan.

7. DIJBEENBREUK

Het risico op een dijbeenbreuk is zeer klein en manifesteert zich nagenoeg uitsluitend bij het plaatsen van cementloze prothesestelen. Bij zwakker bot , zoals bij osteoporose of reumatoïde arthritis is het risico bijgevolg wel hoger. Er bestaat een aanzienlijk hoger risico bij een revisie-ingreep waarbij een prothesesteel en/of cement moeten worden verwijderd.

Het spreekt vanzelf dat een dijbeenbreuk ook later kan voorkomen ten gevolge van een ongeval, e.d.

8. THROMBOSE EN LONGEMBOLEN

Een diepe veneuze thrombose betekent dat er zich een stolsel vormt in de aders van de onderste ledematen. Dit risico is vooral aanwezig gedurende de eerste 6 weken na de ingreep. Zonder preventie bedraagt het risico meer dan 50 %(54 %). Enkel bij een totale knieprothese is het risico nog hoger !!(64 %). U zal preventief een middel krijgen om het bloed minder stolbaar te maken (laag moleculair gewicht heparine). Hierdoor stijgt het bloedverlies bij de operatie lichtjes. Tevens krijgt U anti-thrombosekousen en wordt U gestimuleerd zo snel mogelijk te mobiliseren en spieroefeningen te doen. Door de preventie vermindert het risico, maar is zeker niet volledig uitgesloten.

Het risico wordt 16 % bij THP en 31 % bij TKP.

Indien er zich desondanks een stolsel vormt bestaat de kans dat U langer in het ziekenhuis dient te verblijven en aangepaste medicatie krijgt om het bloed gedurende verschillende maanden aanzienlijk minder stolbaar te maken. Er bestaat dan eveneens 10 à 20 % kans dat U later zult lijden aan het zogenaamde postthrombose-syndroom. Hierbij blijft het been dikker, is er verkleuring en een vermoeid gevoel in het been.

Stolsels in de benen kunnen aanleiding geven tot een longembool. Asymptomatische longembolen (d.w.z. zonder hinder) doen zich voor bij +/- 20 % van de mensen na een heupprothese. Het risico op een fatale longembolie, d.w.z. een longembolie waaraan U overlijdt, bedraagt 0.1 tot 0.2 %. Dit betekent dat er 1 tot 2 kansen op 1000 zijn dat U zal overlijden aan een longembool na een totale heupprothese, zelfs met de best mogelijke preventie. Het verhoogde risico gestaat tot een zestal weken na de ingreep. Indien er zich een longembool voordoet, dient U meestal langer te verblijven in het ziekenhuis en wordt langduring bloedverdunnende medicatie voorzien.

Andere factoren : duur van de ingreep - type anesthesie (algemene hoger risico) - immobilisatie

Leeftijd (per 5 jaar hoger risico) - vrouw - voorafbestaande varices - BMI > 30

9. BLOEDTRANSFUSIE

Er is reele kans dat U tijdens of na de ingreep een bloedtransfusie dient te krijgen. Bloedtransfusies houden een zeer klein risico in van overdracht van bepaalde virussen. De belangrijkste voor uw gezondheid zijn het hepatitis en het HIV virus. Het bloed wordt hierop gescreend, maar 100 % veiligheid geeft dit niet. Het risico op overdracht van het HIV-virus (AIDS) wordt geschat op 1 kans op 345 000.

10. LENGTEVERSCHIL

Het absoluut gelijk maken van de beenlengte bij het plaatsen van een totale heupprothese kan een moeilijke opdracht zijn. Een klein lengteverschil (tot 1 cm) dient U te willen aanvaarden. Soms is het zelfs absoluut nodig het been iets te verlengen om de prothese voldoende stabiliteit te geven. De verlenging wordt dan bewust toegepast om te voorkomen dat de prothese zou ontwrichten.

11. ANESTHESIE EN PIJNBESTRIJDING

Eventuele vragen die U zou hebben in verband met mogelijke problemen omtrent anesthesie dient U te bespreken met de geneesheren anesthesisten.

 

Laatst aangepast op zondag, 01 december 2013 15:58